zondag 8 juni 2014

specialisatie digiborden en mobil devices


Voor de opleiding ‘moderne media en onderwijs’ heb ik gekozen voor de specialisatie digiborden en mobile devices. Om de opdracht goed te kunnen uitvoeren, ben ik me eerst gaan verdiepen in de theorie over digiborden en mobile devices. Vervolgens heb ik via een mindmap een lesopzet gemaakt. De les gaat over Renografie, een nucleair geneeskundig onderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij patiënten die nierproblemen hebben. De student moet bij dit onderzoek zowel de acquisitie, processing en beeldherkenning doen.

 

Theorie
Door de komst van het digitale school bord is er een belangrijk nieuw hulpmiddel beschikbaar voor het onderwijs. Doordat het digitale schoolbord vooral instrumenteel gebruikt wordt, is het digibord meer een doel op zich. Eigenlijk moet het gebruik van dit bord echter geen doel op zich zijn, maar  een middel om het doel, goed onderwijs, te bereiken. Het gebruik van het digibord als middel om goed onderwijs te geven is het intentionele gebruik. Er zal dus een verschuiving plaats moeten vinden van instrumenteel naar intentioneel gebruik (Voogt, 2009).

Lynn Voogt heeft in 2009 onderzoek gedaan hoe de gedragsverandering (van instrumenteel naar intentioneel gebruik) van leraren in het basisonderwijs met betrekking tot het digitale schoolbord teweeggebracht kan worden. In verschillende studies is aangetoond dat het gebruik van digitale schoolborden tijdens de les leidt tot meer gemotiveerde leerlingen (Weimer, 2001; Higgins, Beauchamp & Miller, 2007). Niet alleen de motivatie wordt vergroot, maar ook de prestatie van de leerlingen worden verbeterd (Clemens, Moore & Nelson, 2001). Wel wordt gewaarschuwd voor het ’wow’-effect. In een aantal studies is namelijk aangetoond dat na een paar jaar de verbeterde prestaties en motivatie verdwenen zijn. Dit betekent betekenen dat de vernieuwing een verandering in de motivatie en prestatie teweeggebracht heeft, en niet het gebruik van het digibord (Beau & Parkinson, 2005; Higgins, Falzon & Hall, 2005). Bovengenoemde onderzoekers geven aan dat de manier waarop de leerkracht omgaat met het digitale schoolbord bepalend is of de effecten blijvend zijn of niet. De leerkracht heeft dus een cruciale rol; zijn professionele kennis en vaardigheden bepalen of de mogelijkheden benut worden en het onderwijs verbeterd (Voogt, 2009).

Belangrijk bij het gebruik van het digitale schoolbord is dat de keuze die gemaakt wordt intentioneel is. Hiermee wordt bedoeld dat het digibord ingezet dient te worden bij lessen die hiervoor geschikt zijn. Dus niet om het digibord te gebruiken enkel en alleen omdat het digibord aanwezig is, zogenoemd instrumenteel gebruik.

 
Technology Acceptance Model (TAM)
Wil innovatie goed en effectief worden ingezet, dan is acceptatie cruciaal. Dit geldt in het bijzonder voor innovatie op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Om innovatie te ‘laten landen’ worden vanuit de technologie en de sociale psychologie diverse theoretische (innovatiediffusie) modellen aangereikt. Zo zijn er verschillende gedragsmodellen die alle een redelijk tot goede praktische toepassing hebben laten zien. Van deze modellen komt het Technology Acceptance Model naar voren als een krachtig en empirisch goed geverifieerd model (Pijpers, 2001).

De factoren die volgens het TAM de sterkte van de intentie tot juist gebruik bepalen, zijn: de attitude ten aanzien van het gebruik van nieuwe technologie, het waargenomen nut van de technologie, het gebruiksgemak en een externe variabele. De externe variable is de gebruiker, in dit geval de student. Het maakt namelijk niet uit hoe makkelijk of moeilijk technologie te hanteren is, het gaat erom hoe makkelijk of moeilijk de potentiële gebruiker denkt dat de technologie te hanteren is. Dit is het enige dat invloed heeft op de gedragsintentie (Voogt, 2009).

 

Commitment
Wanneer je ergens mee instemt, of wanneer je bepaald gedrag vertoont, vergroot dit de kans op toekomstig gedrag dat in dezelfde lijn ligt. Cialdini noemt dit commitment. Dit principe is zo sterk dat een eerder gemaakte keuze invloed heeft op hoe je je vervolgens gedraagt. Je zult je namelijk gedragen in lijn van wat je eerder hebt besloten, ook wanneer dit eigenlijk niet voordelig is voor jezelf (Festinger, 1957; Heider, 1946; Newcomb, 1953). Commitment is het meest effectief als het commitment actief, publiekelijk en intern gemotiveerd is. Op basis van de hierboven besproken theorie valt te concluderen dat gedragsverandering van instrumenteel naar intentioneel gebruik van digitale schoolborden waarschijnlijk pas zal ontstaan wanneer de intentie hiervoor aanwezig is. De intentie hangt af van het door de potentiële gebruiker waargenomen nut (figuur 1). Door intentioneel informatie te geven, deze informatie zelfrelevant te maken en door te laten zien dat het gebruiken van het digitale schoolbord aansluit bij eigen doelen is de kans groot dat het digitale schoolbord als nuttig wordt ervaren. Door deze doelen op een juiste manier te activeren, wordt commitment gecreëerd, wat weer het gewenste gedrag bevordert.


 

Figuur 1: Procesmodel waarin te zien is hoe de factoren intentionele informatie, commitment en zelfrelevantie via waargenomen nut de intentie kunnen beïnvloeden.

 

Social media en mobile devices
Door de veranderingen in het onderwijs en de manier van doceren, wordt de student anders opgeleid. Door de opkomst van informatie- en communicatietechnologie (ICT) krijgt de huidige kennissamenleving meer en meer vorm. De term kennissamenleving heeft enerzijds betrekking op het feit dat kennis altijd en overal voor handen is. Dagelijks worden grote hoeveelheden informatie aan het internet toegevoegd, een ontwikkeling die de komende jaren exponentieel door zal zetten. Anderzijds verwijst de term kennissamenleving naar kennisbegrip en –constructie (leren door nieuwe informatie en inzichten te combineren met dat iemand al weet) (J. Voogt, 2010).
De kennissamenleving waarin we leven is divers, geglobaliseerd en doordrenkt met media en technologie. Het vervagen van grenzen biedt wereldwijd kansen om samen te werken aan problemen die vragen om creatieve oplossingen. Het gebruik van media en technologie heeft in onze samenleving een democratiserende werking. Burgers denken steeds vaker mee over onderwerpen die hun leef- en werkomgeving raken en verwachten inspraak bij bedrijven, werkgevers, organisaties en politiek. Meningen worden gevormd en bediscussieerd op social media (J. Voogt, 2010). Ook het werken in de kennissamenleving verandert. Op de huidige en toekomstige arbeidsmarkt zien we andere soorten banen ontstaan. Het aantal banen waarin productiewerk wordt verricht, neemt af. Banen waarin een beroep wordt gedaan op competenties als kennisconstructie, samenwerking, probleemoplossend vermogen en creativiteit nemen toe. Het is vanzelfsprekend dat het adequaat kunnen gebruiken van ICT hiervoor een belangrijke (rand)voorwaarde is.
Als gevolg van de ontwikkeling van de kennissamenleving en de uitvloeisels daarvan is het noodzakelijk dat studenten de kans wordt geboden zich de juiste vaardigheden eigen te maken. Vaardigheden en competenties die nodig zijn om goed in de kennissamenleving te kunnen functioneren. Deze vaardigheden zijn weergegeven in afbeelding 1.





Afbeelding 1: ‘21st century skills’.

 

In de huidige kennissamenleving vindt de overdracht van kennis op diverse manieren plaats. Social media is anno 2014 niet meer weg te denken uit de maatschappij.

“Sociality is the human tendency to bind oneself with others in interdependent relationships and, thus, to create and join organized forms of acting together.”( A. Huizing, 2009)

De term ‘social media’ is geïnspireerd op en afgeleid van de term ‘massamedia’ en geeft de verschuiving weer van het zender-ontvanger model van de traditionele media naar een model dat gebaseerd is op een zender-zender (of ontvanger-ontvanger) relatie. Social media wordt dan ook door sommigen toegejuicht als de democratisering van de massamedia, waarbij iedereen kan participeren. Termen die met social media geassocieerd worden in deze context zijn onder andere: openheid, gemeenschap, gelijkwaardigheid, wederkerigheid en conversatie (Boyd & Ellison, 2007).

Social media kan positief worden ingezet binnen het onderwijs. Het gebruik van mobile devices in combinatie met social media zorgt ervoor dat de student overal te bereiken is. Bij het gebruik van flipping the classroom zorgen docenten ervoor dat de lessen beschikbaar zijn voor studenten waar en wanneer de student dat wil. Dit kan in verschillende vormen aangeboden worden. Het kan door middel van instructiefilmpjes, online weblectures en interactieve opdrachten. Hierdoor kan de student waar, wanneer en hoe vaak hij wil, het lesmateriaal bekijken.

 
Opbouw van het practicum.
De onderwijsperiode is opgebouwd uit vier onderdelen: theorie, acquisitie, beeldherkenning en processing (figuur 3). Het practicum is  opgebouwd uit drie onderdelen:  acquisitie, beeldherkenning en processing. De theorie wordt tijdens een online college aangeboden. Tijdens het werkcollege gaan de studenten samen met de docent actief aan de slag met de theorie. Hier wordt in dit schrijven niet op in gegaan.


 
Figuur 2: mindmap van de practicumles ‘renografie’.

 


Acquisitie van de renografie

 

Huidige situatie:
Tijdens onbegeleide practica oefenen studenten met elkaar de nucleair geneeskundige onderzoeken. De acquisitieparameters zoeken zij middels de online aanbevelingen www.nvng.nl. Patiëntencontact oefenen ze met elkaar, evenals het instellen van de patiënt onder de gammacamera. Vervolgens is het begeleide practicum, waarin de studenten aan de docent het geleerde tonen die daar feedback opgeeft. Mijn ervaring hiermee is dat een enkele student iets voorbereidt en dat eigenlijk maar twee à drie studenten demonstreren wat ze voorbereid hebben. De rest van de onderwijsgroep kijkt passief  naar wat er gebeurt. Ik geef de overige studenten wel de opdracht elkaar te beoordelen aan de hand van het peer-formulier, waarna ze elkaar feedback geven. Op het peer-formulier staan dezelfde criteria die wij hanteren tijdens de toets. Aan de houding van de studenten en non-verbale uitdrukkingen merk ik ook studenten deze opdracht niet echt leuk vinden. Waardoor deze opdracht maar half wordt uitgevoerd, en ze eigenlijk weinig leren van de opdracht.

 
In de huidige situatie was het niet te controleren of ze wel of niet geoefend hadden. Mijn ervaring is dat dan een deel van de groep actief oefent en een deel niet.

                                              
In het nucleaire geneeskunde lokaal is maar  één acquisitiecomputer. Dit houdt in de dat veertien studenten op één monitor moeten kijken. Dit is natuurlijk erg moeilijk. Niet alle studenten kunnen het scherm zien waardoor het voor hen moeilijk is de les te volgen. De studenten die achteraan staan, zijn dan ook eerder afgeleid en doen niet mee met de les.

Beeldscherm is voor studenten moeilijk te zien.

                             













 Nieuwe situatie
Voordat de studenten deelnemen aan het practicum moeten ze een voorbereidende opdracht uitvoeren. Deze opdracht staat in hun digitale domeinreader beschreven. De voorbereidende opdracht voor het practicum was het vastleggen op film hoe je een dynamische studie uitvoert. Gelet wordt op het technische gedeelte, het instellen van de computer met de juiste acquisitieparameters, de zorg voor de patiënt inclusief patiëntencontact en het instellen van het onderzoek. Ze moeten per onderwijsgroep, die bestaat uit veertien studenten, twee opnames voorafgaande aan het practicum naar mij toesturen. Hierdoor weet ik dat ze actief met de stof bezig zijn geweest. Ik bekijk de filmpjes, zodat ik weet wat ze gedaan hebben. Ik maak voor mezelf een overzicht over wat goed en minder goed ging (tips en tops). Tijdens het practicum gaan de studenten aan de hand van het peer-formulier tips en tops beschrijven van elk het filmpje.

 


 ´de oude situatie`


 

 

 

 
                  ´de nieuwe situatie´

Het doel van deze nieuwe werkwijze is om meer studenten te betrekken bij de opdracht. Doordat de studenten filmpjes maken, oefenen ze bewuster en serieuzer. Het wordt namelijk gefilmd Door het bekijken van de filmpjes kan iedere student ook duidelijk zien wat er gedaan wordt. Eerst stonden ze met meerdere studenten om een klein beeldscherm. Dat is natuurlijk veel moeilijker te volgen. Ook tijdens het instellen van de patiënt was dit moeilijk te volgen, doordat je met veertien studenten niet goed tegelijk om de gammacamera heen kan staan . Door het filmpje te beamen, kan iedereen precies zien wat er gebeurt. De studenten geven elkaar tips en tops, hierdoor is iedereen actief bezig.

 
 
 
‘nieuwe’ situatie. Studenten kijken naar het digibord waar de acquisitie wordt voorgedaan.

 
Reflectie
Studenten gaven aan dat ze het fijn vonden een filmpje te maken. Ze waren hierdoor al voor de aanvang van het practicum bewust bezig met de inhoud van het practicum. Door het terugkijken van de filmpjes en elkaar tips en tops te geven, hadden de studenten het gevoel dat ze veel actiever en bewuster de les konden volgen. Ze vonden het ook fijn om voor aanvang van het practicum het filmpje te sturen, hierdoor werden ze gedwongen met de onderwijsstof bezig te zijn. Wat ik zelf merkte, was dat we dieper op het onderzoek in kunnen gaan. Studenten hebben vooraf de basis geoefend, daardoor hadden we meer tijd om de acquisitie te bespreken.

Door het beeldscherm van de acquisitie op het digibord te beamen, wordt het bord vooral instrumenteel gebruikt. Toch denk ik dat deze kleine verandering het leren van de studenten bevordert doordat de instructie duidelijker gegeven kan worden. Het tweede deel, het afspelen van de filmpjes, zie ik meer als intentioneel gebruik. Het digibord wordt nu echt gebruikt om het leren te verbeteren.

 
Processing
De studenten krijgen digitaal een handleiding waar de uit te voeren stappen op staan. Hiermee kunnen studenten zelfstandig aan de slag (experimenteren). De docent geeft ook een demonstratie. De student kan tijdens de demonstratie luisteren en meekijken (observeren). Er is ook een instructiefilmpje over de volgorde van de processing. Met deze instructie kan de student ook zelfstandig de processing uitvoeren (ervaren). De student maakt tijdens de opdracht gebruik van een mobile device. Dit kan een tablet, smartphone, laptop of een ander mobile device zijn.

 



student is zelfstandig aan het processen met behulp van het instructiefilmpje

Reflectie
Doordat de handleiding van de processing te bekijken was op de digitale leeromgeving (n@tschool) konden studenten dit terugkijken of raadplegen als ze niet meer verder konden. Sommige studenten vertelden dat ze het instructiefilmpje een aantal keren bekeken hadden. Door herhaaldelijk naar het filmpje te kijken, konden ze de te nemen stappen beter onthouden. Voor mij was het voordeel dat  ik minder vragen kreeg over knopjes, maar juist meer inhoudelijke vragen.

 

Beeldherkenning
Voorafgaand aan het practicum heeft de student de mogelijkheid gehad om via een hoorcollege de theorie te volgen. Ook is de mogelijkheid geboden dit online te doen. Voor het practicum wordt een beeldherkenningsquiz gebruikt. Hiermee kan de student zijn kennis toetsen over het onderwerp beeldherkenning.
De student kan zelf bepalen hoe hij de negentig minuten practicum besteedt. Hij kan een opdracht uitvoeren (ervaren), waarnemen en overdenken (peerassessment), experimenteren of kijken wat hij al weet van het onderzoek. Hierdoor wordt de student uitgedaagd volgens zijn leerstijl het practicum te volgen.


 

Reflectie
Studenten gaven aan dat ze deze opdracht het liefste thuis of op een ander moment wilden uitvoeren. De antwoorden staan namelijk bij de online quiz. Ze willen dus liever de tijd die ze met de docent hebben op een andere manier besteden. Ik begrijp de keuze van de student wel, maar voor het volgende practicum wil ik toch het onderdeel beeldherkenning tijdens het practicum behandelen. Ik weet nu namelijk niet van iedere student of ze de lesstof goed begrijpen.   
 

Evaluatie
Tijdens de lesdag digiborden hebben we gezien en geleerd hoe je de verandering van instrumenteel gebruik naar intentioneel gebruik plaats  moet vinden. Nadat het theoretisch kader in de ochtend was gepresenteerd , zijn we ’s middags met diverse opdrachten aan de slag gegaan. Op leraar 24 hebben we filmpjes beoordeeld over het gebruik van digiborden  aan de hand van  kennisnet. Door het zien van deze filmpjes zag ik duidelijk wat het verschil is tussen intentioneel gebruik en instrumenteel gebruik. Ik vond het erg leuk om  zelf bewust een les te ontwerpen waarin het gebruik van het digibord centraal staat.  Zoals ik in de theoretische inleiding al aangaf is het belangrijk om van instrumenteel naar intentioneel gebruik van het digibord over te gaan. De belangrijkste aspecten hierin zijn attitude ten aanzien van het gebruik van de nieuwe technologie, het waargenomen nut van de technologie, het gebruiksgemak, en externe variabele. De externe variabele is zoals ik al aangaf de student. Doordat ik het digitale schoolbord nu meer en bewuster gebruik kom ik ook steeds meer mogelijkheden tegen die het digitale schoolbord heeft. Veel digitale bronnen zoals you tube ter verduidelijking van een onderwerp, websites die betrekking hebben op de te doceren lesstof, instructievideo’s en natuurlijk het internet zijn nu makkelijk te gebruiken. Ik word steeds beter in het gebruik van het digitale schoolbord, en merk dat mijn enthousiasme over gaat op collega’s, doordat ze me steeds meer vragen beginnen te stellen over het gebruik van het digitale schoolbord. Eigenaarschap hierin is een belangrijke factor die de overgang van instrumenteel naar intentioneel gebruik bevordert.

Zowel ik als de studenten ervaren dat het gebruik van het digitale schoolbord de motivatie verbetert. Door de dynamische instructie die ook visueel aangeboden wordt is het practicum afwisselender. Ik gebruik veel verschillende werkvormen, instructie, multimedia, quiz, mindmapping enz en wissel deze presentatievormen af waardoor de les aantrekkelijker wordt om te volgen. Hierbij wissel ik de rol van mij en de student af, waardoor ze actiever deelnemen aan de les. De interactie tussen mij en de student wordt hierdoor ook vergroot. Door ook de studenten met het digitale schoolbord te laten werken probeer ik te voorkomen dat ik frontaal les geef. Wat de studenten ook fijn vinden is dat alles opgeslagen kan worden, hierdoor kunnen ze altijd de lesinhoud terugzien. Commitment is het meest effectief als het commitment actief, publiekelijk en intern gemotiveerd is.  Commitment van de studenten is erg belangrijk en een randvoorwaarde voor het juiste gebruik van het digitale schoolbord. Na elke les vraag ik daarom ook de studenten voor tips en tops over het gebruik van het digitale schoolbord. Deze tips en tops verwerk bij het voorbereiden van de nieuwe les.
 

Bibliografie

 

A. Clemens, T. M. (2001). Math intervention "SMART"project.

A. Huizing, M. C. (2009). Making Invisible Connections Visible: A Practice and Sociality. Based Study of Organizational and Institutional Learning, (pp. 26-28).

Boyd, D., & Ellison, N. (2007). Social network sites: Definition, history, and scholarship. Journal of Computer-Mediated Communication.

Cialdini, R. (2009). Influence science and practice. Boston: Pearsons education inc.

Festinger, L. (1957). A theory of cognitive dissonance. Stanford: Stanford university press.

Heider, F. (1946). Attitudes and cognitive organisation. Journal of Psychology, 107-112.

J. Voogt, N. P. (2010). 21st century skills.

Newcomb, T. (1953). An approach to the study of communicative acts. psygological review, 393-404.

Parkinson, G. B. (2005). Beyond the "wow"factor: developing interactivity white the whiteboard. School science review, 97-103.

Pijpers, A. (2001). Senior executives' use of information technology.

S. Higgins, G. B. (2007). Reviewing the literature on interactive whiteboards. Learning, Media and technology, 213-225.

Voogt, L. (2009). Haal meer uit het digitale schoolbord! Nijmegen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten