Voor de opleiding ‘moderne media en onderwijs’ heb ik
gekozen voor de specialisatie digiborden en mobile devices. Om de opdracht goed
te kunnen uitvoeren, ben ik me eerst gaan verdiepen in de theorie over
digiborden en mobile devices. Vervolgens heb ik via een mindmap een lesopzet
gemaakt. De les gaat over Renografie, een nucleair geneeskundig onderzoek. Dit
onderzoek wordt uitgevoerd bij patiënten die nierproblemen hebben. De student
moet bij dit onderzoek zowel de acquisitie, processing en beeldherkenning doen.
Theorie
Door de komst van het digitale school bord is er een
belangrijk nieuw hulpmiddel beschikbaar voor het onderwijs. Doordat het
digitale schoolbord vooral instrumenteel gebruikt wordt, is het digibord meer
een doel op zich. Eigenlijk moet het gebruik van dit bord echter geen doel op zich
zijn, maar een middel om het doel, goed
onderwijs, te bereiken. Het gebruik van het digibord als middel om goed
onderwijs te geven is het intentionele gebruik. Er zal dus een verschuiving
plaats moeten vinden van instrumenteel naar intentioneel gebruik (Voogt, 2009).
Lynn Voogt heeft in 2009 onderzoek gedaan hoe de
gedragsverandering (van instrumenteel naar intentioneel gebruik) van leraren in
het basisonderwijs met betrekking tot het digitale schoolbord teweeggebracht
kan worden. In verschillende studies is aangetoond dat het gebruik van digitale
schoolborden tijdens de les leidt tot meer gemotiveerde leerlingen (Weimer,
2001; Higgins, Beauchamp & Miller, 2007). Niet alleen de motivatie wordt
vergroot, maar ook de prestatie van de leerlingen worden verbeterd (Clemens,
Moore & Nelson, 2001). Wel wordt gewaarschuwd voor het ’wow’-effect. In een
aantal studies is namelijk aangetoond dat na een paar jaar de verbeterde
prestaties en motivatie verdwenen zijn. Dit betekent betekenen dat de
vernieuwing een verandering in de motivatie en prestatie teweeggebracht heeft,
en niet het gebruik van het digibord (Beau & Parkinson, 2005; Higgins,
Falzon & Hall, 2005). Bovengenoemde onderzoekers geven aan dat de manier
waarop de leerkracht omgaat met het digitale schoolbord bepalend is of de
effecten blijvend zijn of niet. De leerkracht heeft dus een cruciale rol; zijn
professionele kennis en vaardigheden bepalen of de mogelijkheden benut worden
en het onderwijs verbeterd (Voogt, 2009).
Belangrijk bij het gebruik van het digitale schoolbord is
dat de keuze die gemaakt wordt intentioneel is. Hiermee wordt bedoeld dat het
digibord ingezet dient te worden bij lessen die hiervoor geschikt zijn. Dus niet
om het digibord te gebruiken enkel en alleen omdat het digibord aanwezig is, zogenoemd
instrumenteel gebruik.
Wil innovatie goed en effectief worden ingezet, dan is acceptatie cruciaal. Dit geldt in het bijzonder voor innovatie op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Om innovatie te ‘laten landen’ worden vanuit de technologie en de sociale psychologie diverse theoretische (innovatiediffusie) modellen aangereikt. Zo zijn er verschillende gedragsmodellen die alle een redelijk tot goede praktische toepassing hebben laten zien. Van deze modellen komt het Technology Acceptance Model naar voren als een krachtig en empirisch goed geverifieerd model (Pijpers, 2001).
De factoren die volgens het TAM de sterkte van de
intentie tot juist gebruik bepalen, zijn: de attitude ten aanzien van het
gebruik van nieuwe technologie, het waargenomen nut van de technologie, het
gebruiksgemak en een externe variabele. De externe variable is de gebruiker, in
dit geval de student. Het maakt namelijk niet uit hoe makkelijk of moeilijk
technologie te hanteren is, het gaat erom hoe makkelijk of moeilijk de potentiële
gebruiker denkt dat de technologie te hanteren is. Dit is het enige dat invloed
heeft op de gedragsintentie (Voogt, 2009).
Commitment
Wanneer je ergens mee instemt, of wanneer je bepaald gedrag
vertoont, vergroot dit de kans op toekomstig gedrag dat in dezelfde lijn ligt.
Cialdini noemt dit commitment. Dit principe is zo sterk dat een eerder gemaakte
keuze invloed heeft op hoe je je vervolgens gedraagt. Je zult je namelijk
gedragen in lijn van wat je eerder hebt besloten, ook wanneer dit eigenlijk
niet voordelig is voor jezelf (Festinger, 1957; Heider, 1946; Newcomb, 1953).
Commitment is het meest effectief als het commitment actief, publiekelijk en
intern gemotiveerd is. Op basis van de hierboven besproken theorie valt te
concluderen dat gedragsverandering van instrumenteel naar intentioneel gebruik
van digitale schoolborden waarschijnlijk pas zal ontstaan wanneer de intentie
hiervoor aanwezig is. De intentie hangt af van het door de potentiële gebruiker
waargenomen nut (figuur 1). Door intentioneel informatie te geven, deze informatie
zelfrelevant te maken en door te laten zien dat het gebruiken van het digitale
schoolbord aansluit bij eigen doelen is de kans groot dat het digitale
schoolbord als nuttig wordt ervaren. Door deze doelen op een juiste manier te
activeren, wordt commitment gecreëerd, wat weer het gewenste gedrag bevordert.
Social media en mobile devices
Door de veranderingen in het onderwijs en de manier van
doceren, wordt de student anders opgeleid. Door de opkomst van informatie- en
communicatietechnologie (ICT) krijgt de huidige kennissamenleving meer en meer
vorm. De term kennissamenleving heeft enerzijds betrekking op het feit dat
kennis altijd en overal voor handen is. Dagelijks worden grote hoeveelheden
informatie aan het internet toegevoegd, een ontwikkeling die de komende jaren
exponentieel door zal zetten. Anderzijds verwijst de term kennissamenleving
naar kennisbegrip en –constructie (leren door nieuwe informatie en inzichten te
combineren met dat iemand al weet) (J. Voogt, 2010). De kennissamenleving waarin we leven is divers, geglobaliseerd en doordrenkt met media en technologie. Het vervagen van grenzen biedt wereldwijd kansen om samen te werken aan problemen die vragen om creatieve oplossingen. Het gebruik van media en technologie heeft in onze samenleving een democratiserende werking. Burgers denken steeds vaker mee over onderwerpen die hun leef- en werkomgeving raken en verwachten inspraak bij bedrijven, werkgevers, organisaties en politiek. Meningen worden gevormd en bediscussieerd op social media (J. Voogt, 2010). Ook het werken in de kennissamenleving verandert. Op de huidige en toekomstige arbeidsmarkt zien we andere soorten banen ontstaan. Het aantal banen waarin productiewerk wordt verricht, neemt af. Banen waarin een beroep wordt gedaan op competenties als kennisconstructie, samenwerking, probleemoplossend vermogen en creativiteit nemen toe. Het is vanzelfsprekend dat het adequaat kunnen gebruiken van ICT hiervoor een belangrijke (rand)voorwaarde is.
Als gevolg van de ontwikkeling van de kennissamenleving en de uitvloeisels daarvan is het noodzakelijk dat studenten de kans wordt geboden zich de juiste vaardigheden eigen te maken. Vaardigheden en competenties die nodig zijn om goed in de kennissamenleving te kunnen functioneren. Deze vaardigheden zijn weergegeven in afbeelding 1.
Afbeelding 1: ‘21st
century skills’.
In de huidige kennissamenleving vindt de overdracht van
kennis op diverse manieren plaats. Social media is anno 2014 niet meer weg te
denken uit de maatschappij.
“Sociality
is the human tendency to bind oneself with others in interdependent
relationships and, thus, to create and join organized forms of acting
together.”( A. Huizing, 2009)
De term ‘social media’ is geïnspireerd op en afgeleid van
de term ‘massamedia’ en geeft de verschuiving weer van het zender-ontvanger
model van de traditionele media naar een model dat gebaseerd is op een
zender-zender (of ontvanger-ontvanger) relatie. Social media wordt dan ook door
sommigen toegejuicht als de democratisering van de massamedia, waarbij iedereen
kan participeren. Termen die met social media geassocieerd worden in deze
context zijn onder andere: openheid, gemeenschap, gelijkwaardigheid,
wederkerigheid en conversatie (Boyd & Ellison, 2007).
Social media kan positief worden ingezet binnen het
onderwijs. Het gebruik van mobile devices in combinatie met social media zorgt
ervoor dat de student overal te bereiken is. Bij het gebruik van flipping the
classroom zorgen docenten ervoor dat de lessen beschikbaar zijn voor studenten
waar en wanneer de student dat wil. Dit kan in verschillende vormen aangeboden
worden. Het kan door middel van instructiefilmpjes, online weblectures en
interactieve opdrachten. Hierdoor kan de student waar, wanneer en hoe vaak hij
wil, het lesmateriaal bekijken.
De onderwijsperiode is opgebouwd uit vier onderdelen: theorie, acquisitie, beeldherkenning en processing (figuur 3). Het practicum is opgebouwd uit drie onderdelen: acquisitie, beeldherkenning en processing. De theorie wordt tijdens een online college aangeboden. Tijdens het werkcollege gaan de studenten samen met de docent actief aan de slag met de theorie. Hier wordt in dit schrijven niet op in gegaan.
Figuur 2: mindmap van de practicumles ‘renografie’.
Acquisitie van de renografie
Huidige
situatie:
Tijdens
onbegeleide practica oefenen studenten met elkaar de nucleair geneeskundige
onderzoeken. De acquisitieparameters zoeken zij middels de online aanbevelingen
www.nvng.nl. Patiëntencontact oefenen ze met elkaar, evenals
het instellen van de patiënt onder de gammacamera. Vervolgens is het begeleide
practicum, waarin de studenten aan de docent het geleerde tonen die daar
feedback opgeeft. Mijn ervaring hiermee is dat een enkele student iets
voorbereidt en dat eigenlijk maar twee à drie studenten demonstreren wat ze voorbereid
hebben. De rest van de onderwijsgroep kijkt passief naar wat er gebeurt. Ik geef de overige
studenten wel de opdracht elkaar te beoordelen aan de hand van het
peer-formulier, waarna ze elkaar feedback geven. Op het peer-formulier staan
dezelfde criteria die wij hanteren tijdens de toets. Aan de houding van de
studenten en non-verbale uitdrukkingen merk ik ook studenten deze opdracht niet
echt leuk vinden. Waardoor deze opdracht maar half wordt uitgevoerd, en ze
eigenlijk weinig leren van de opdracht.
In de huidige
situatie was het niet te controleren of ze wel of niet geoefend hadden. Mijn
ervaring is dat dan een deel van de groep actief oefent en een deel niet.
In het nucleaire
geneeskunde lokaal is maar één acquisitiecomputer. Dit houdt in de dat
veertien studenten op één monitor
moeten kijken. Dit is natuurlijk erg moeilijk. Niet alle studenten kunnen het
scherm zien waardoor het voor hen moeilijk is de les te volgen. De studenten
die achteraan staan, zijn dan ook eerder afgeleid en doen niet mee met de les.

Het doel van deze nieuwe werkwijze is om meer studenten te betrekken bij de opdracht. Doordat de studenten filmpjes maken, oefenen ze bewuster en serieuzer. Het wordt namelijk gefilmd Door het bekijken van de filmpjes kan iedere student ook duidelijk zien wat er gedaan wordt. Eerst stonden ze met meerdere studenten om een klein beeldscherm. Dat is natuurlijk veel moeilijker te volgen. Ook tijdens het instellen van de patiënt was dit moeilijk te volgen, doordat je met veertien studenten niet goed tegelijk om de gammacamera heen kan staan . Door het filmpje te beamen, kan iedereen precies zien wat er gebeurt. De studenten geven elkaar tips en tops, hierdoor is iedereen actief bezig.
‘nieuwe’ situatie. Studenten kijken
naar het digibord waar de acquisitie wordt voorgedaan.
Studenten gaven aan dat ze het fijn vonden een filmpje te maken. Ze waren hierdoor al voor de aanvang van het practicum bewust bezig met de inhoud van het practicum. Door het terugkijken van de filmpjes en elkaar tips en tops te geven, hadden de studenten het gevoel dat ze veel actiever en bewuster de les konden volgen. Ze vonden het ook fijn om voor aanvang van het practicum het filmpje te sturen, hierdoor werden ze gedwongen met de onderwijsstof bezig te zijn. Wat ik zelf merkte, was dat we dieper op het onderzoek in kunnen gaan. Studenten hebben vooraf de basis geoefend, daardoor hadden we meer tijd om de acquisitie te bespreken.
Door het beeldscherm van de acquisitie op het digibord te
beamen, wordt het bord vooral instrumenteel gebruikt. Toch denk ik dat deze
kleine verandering het leren van de studenten bevordert doordat de instructie
duidelijker gegeven kan worden. Het tweede deel, het afspelen van de filmpjes,
zie ik meer als intentioneel gebruik. Het digibord wordt nu echt gebruikt om
het leren te verbeteren.
Processing
De studenten krijgen digitaal een handleiding waar de uit te voeren stappen op staan. Hiermee kunnen studenten zelfstandig aan de slag (experimenteren). De docent geeft ook een demonstratie. De student kan tijdens de demonstratie luisteren en meekijken (observeren). Er is ook een instructiefilmpje over de volgorde van de processing. Met deze instructie kan de student ook zelfstandig de processing uitvoeren (ervaren). De student maakt tijdens de opdracht gebruik van een mobile device. Dit kan een tablet, smartphone, laptop of een ander mobile device zijn.
De studenten krijgen digitaal een handleiding waar de uit te voeren stappen op staan. Hiermee kunnen studenten zelfstandig aan de slag (experimenteren). De docent geeft ook een demonstratie. De student kan tijdens de demonstratie luisteren en meekijken (observeren). Er is ook een instructiefilmpje over de volgorde van de processing. Met deze instructie kan de student ook zelfstandig de processing uitvoeren (ervaren). De student maakt tijdens de opdracht gebruik van een mobile device. Dit kan een tablet, smartphone, laptop of een ander mobile device zijn.
student is zelfstandig aan het processen met
behulp van het instructiefilmpje
Reflectie
Doordat de handleiding van de processing te bekijken was
op de digitale leeromgeving (n@tschool) konden studenten dit terugkijken of
raadplegen als ze niet meer verder konden. Sommige studenten vertelden dat ze
het instructiefilmpje een aantal keren bekeken hadden. Door herhaaldelijk naar
het filmpje te kijken, konden ze de te nemen stappen beter onthouden. Voor mij was
het voordeel dat ik minder vragen kreeg over
knopjes, maar juist meer inhoudelijke vragen.
Beeldherkenning
Voorafgaand aan het practicum heeft de student de
mogelijkheid gehad om via een hoorcollege de theorie te volgen. Ook is de
mogelijkheid geboden dit online te doen. Voor het practicum wordt een beeldherkenningsquiz gebruikt.
Hiermee kan de student zijn kennis toetsen over het onderwerp beeldherkenning.De student kan zelf bepalen hoe hij de negentig minuten practicum besteedt. Hij kan een opdracht uitvoeren (ervaren), waarnemen en overdenken (peerassessment), experimenteren of kijken wat hij al weet van het onderzoek. Hierdoor wordt de student uitgedaagd volgens zijn leerstijl het practicum te volgen.
Reflectie
Studenten gaven aan dat ze deze opdracht het liefste
thuis of op een ander moment wilden uitvoeren. De antwoorden staan namelijk bij
de online quiz. Ze willen dus liever de tijd die ze met de docent hebben op een
andere manier besteden. Ik begrijp de keuze van de student wel, maar voor het
volgende practicum wil ik toch het onderdeel beeldherkenning tijdens het
practicum behandelen. Ik weet nu namelijk niet van iedere student of ze de
lesstof goed begrijpen.
Evaluatie
Tijdens de lesdag digiborden hebben we gezien en geleerd
hoe je de verandering van instrumenteel gebruik naar intentioneel gebruik
plaats moet vinden. Nadat het
theoretisch kader in de ochtend was gepresenteerd , zijn we ’s middags met
diverse opdrachten aan de slag gegaan. Op leraar 24 hebben we filmpjes
beoordeeld over het gebruik van digiborden
aan de hand van kennisnet. Door
het zien van deze filmpjes zag ik duidelijk wat het verschil is tussen
intentioneel gebruik en instrumenteel gebruik. Ik vond het erg leuk om zelf bewust een les te ontwerpen waarin het
gebruik van het digibord centraal staat. Zoals ik in de theoretische inleiding al
aangaf is het belangrijk om van instrumenteel naar intentioneel gebruik van het
digibord over te gaan. De belangrijkste aspecten hierin zijn attitude ten
aanzien van het gebruik van de nieuwe technologie, het waargenomen nut van de
technologie, het gebruiksgemak, en externe variabele. De externe variabele is
zoals ik al aangaf de student. Doordat ik het digitale schoolbord nu meer en
bewuster gebruik kom ik ook steeds meer mogelijkheden tegen die het digitale
schoolbord heeft. Veel digitale bronnen zoals you tube ter verduidelijking van
een onderwerp, websites die betrekking hebben op de te doceren lesstof,
instructievideo’s en natuurlijk het internet zijn nu makkelijk te gebruiken. Ik
word steeds beter in het gebruik van het digitale schoolbord, en merk dat mijn
enthousiasme over gaat op collega’s, doordat ze me steeds meer vragen beginnen
te stellen over het gebruik van het digitale schoolbord. Eigenaarschap hierin
is een belangrijke factor die de overgang van instrumenteel naar intentioneel
gebruik bevordert.
Zowel ik als de studenten ervaren dat het gebruik van het
digitale schoolbord de motivatie verbetert. Door de dynamische instructie die
ook visueel aangeboden wordt is het practicum afwisselender. Ik gebruik veel
verschillende werkvormen, instructie, multimedia, quiz, mindmapping enz en
wissel deze presentatievormen af waardoor de les aantrekkelijker wordt om te
volgen. Hierbij wissel ik de rol van mij en de student af, waardoor ze actiever
deelnemen aan de les. De interactie tussen mij en de student wordt hierdoor ook
vergroot. Door ook de studenten met het digitale schoolbord te laten werken
probeer ik te voorkomen dat ik frontaal les geef. Wat de studenten ook fijn
vinden is dat alles opgeslagen kan worden, hierdoor kunnen ze altijd de
lesinhoud terugzien. Commitment is het meest effectief als het commitment
actief, publiekelijk en intern gemotiveerd is. Commitment van de studenten is erg belangrijk
en een randvoorwaarde voor het juiste gebruik van het digitale schoolbord. Na
elke les vraag ik daarom ook de studenten voor tips en tops over het gebruik
van het digitale schoolbord. Deze tips en tops verwerk bij het voorbereiden van
de nieuwe les.
Bibliografie
A. Clemens, T. M. (2001). Math
intervention "SMART"project.
A. Huizing, M. C. (2009). Making Invisible Connections
Visible: A Practice and Sociality. Based Study of Organizational and
Institutional Learning, (pp. 26-28).
Boyd, D., & Ellison, N. (2007). Social network sites:
Definition, history, and scholarship. Journal of Computer-Mediated
Communication.
Cialdini, R. (2009). Influence science and practice.
Boston: Pearsons education inc.
Festinger, L. (1957). A theory of cognitive dissonance.
Stanford: Stanford university press.
Heider, F. (1946). Attitudes and cognitive organisation. Journal
of Psychology, 107-112.
J. Voogt, N. P. (2010). 21st century skills.
Newcomb, T. (1953). An approach to the study of communicative
acts. psygological review, 393-404.
Parkinson, G. B. (2005). Beyond the "wow"factor:
developing interactivity white the whiteboard. School science review,
97-103.
Pijpers, A. (2001). Senior executives' use of information
technology.
S. Higgins, G. B. (2007). Reviewing the literature on
interactive whiteboards. Learning,
Media and technology, 213-225.
Voogt, L. (2009). Haal
meer uit het digitale schoolbord! Nijmegen.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten